Taal opent en sluit verdriet.
Zo schrijf ik brieven voor iemand
naar de buitenwereld.
Maar de ontvangers zijn dood of weg
of ze zijn haar vergeten.
Ze hebben geen weet van haar bestaan.
Zij huilt en stottert, ze denkt aan hen.
Ik schrijf, vraag,
en zij verbetert.
Het was niet zó, maar zó.
Ik leid haar hand en zij tekent
met lichte blauwe lijntjes haar naam.
(uit: Breng me naar waar ik thuishoor /
aantekeningen bij dementie)
Reageren? Stuur een bericht.
Recentelijk in de Gelderlander een bespreking door Patricia van der Zalm
van het boek Nu je er niet meer bent / dochters schrijven aan hun overleden moeder.
Ook ik schreef een brief in dit boek waarin dochters de diepte van ervaring en herinnering ingaan.
Ze willen kijken voorbij het gevoel van rouw en gemis, en brengen hun moeder al schrijvend
in kaart.
Daarbij gaan ze zover als ze willen of kunnen.
Beelden verschuiven, verdringen elkaar, soms is het angstig achter dat beeld te kijken
maar die durf wordt beloond met inzichten, duidelijkheid.
En dat lijkt haar weer tastbaar te maken, dichterbij.
Ik vond het een goede ervaring met dit brievenboek bezig te zijn.
Voorafgaande aan de brief voor dit boek, schreef ik diverse andere,
omdat ik mijn moeder op zoveel manieren zie.
De gepubliceerde brief geeft geenszins een eindvisie aan.
Ook foto’s die opduiken voegen weer iets toe aan dit altijd durende ‘innerlijke gesprek’
dat ook beschreven wordt in het kortverhaal Zoet (uitgave september 2010).
Bijgaande foto laat me iets zien wat uit mijn herinnering verdwenen is.
Toch moet het waar zijn, de foto is het bewijs.
Mijn moeder en ik, lachend. Ik ben zes, we zijn in Parijs op een plein met fonteinen en duiven.
Ik stel me ons opnieuw voor, mijn arm om haar schouder, haar arm om mij.



Notities
