
'Mijn vader probeerde me nog op te vangen. Dat was bijzonder want hij probeerde me op te vangen terwijl hij me niet wilde. Of wilde hij me misschien toch? Mijn moeder zei een keer dat hij, toen ik al in haar buik zat, ervan af wilde zien.'
door Lieke Hagebeuk
Opgroeien met een flippende vader en een bangebroek als moeder is niet eenvoudig, dat laten Reggie, Donnie, Andri en Chiem zien in Honden, Vissen, Krokodillen. Welke zorgen heb je als je ouders zich gedragen als twee kleine kinderen? Hadewijch Griffioen schetst in haar nieuwe roman een aangrijpend beeld van wat het met vier kinderen doet als zij de volwassenen moeten zijn. In een verhaal waarin twee kleuters en twee pubers vertellen over de ruzies die hun ouders maken, wordt het pijnlijk duidelijk dat dit nog zo eenvoudig niet is.
Dode hondjes
'"De hondjes willen niet wakker worden Chiem, maar ze moeten wakker worden.' Hij streelt over de kopjes, zijn gezicht vol dikke tranen, snot haalt hij op. Hij zet zijn lippen op een bekje en blaast weer, hij blaast zijn adem schokkerig van het huilen in de keel van het hondje. Dit is een trip die ik niet wil hebben. 'Maar Donnie, man, doe dit nou toch niet, je ziet toch wel dat ze eh... dood zijn en dan kun je niks meer doen."'
Griffioen schetst op een subtiele manier de karakters van de vier kinderen. In verfijnde beschrijvingen vertellen Reggie, Donnie, Andri en Chiem elkaars verhaal. Reggie wordt ziek, plast in zijn broek en gaat zijn broers en zus en uiteindelijk ook zichzelf met geweld te lijf. Donnie duwt zijn handen tegen zijn oren en knijpt zijn ogen stijf dicht, als zijn ouders elkaar de hersens inslaan. 'Het was beter geweest als ik niet was geboren. Als je niet geboren bent, is er niks aan de hand.' Andri is slim en zorgzaam, gaat uiteindelijk zo ver dat ze, als ze al op kamers woont, een van haar broertjes in huis neemt om hem weg te houden bij haar moeder. Chiem lijkt op Donnie. Als het hem te heftig wordt, steekt hij een joint op. Hij doet wat hij moet doen en protesteert in stilte tegen zijn stiefvader die hem het leven zuur maakt.
Nuance
Honden Vissen Krokodillen brengt allerlei soorten emoties: bewondering, woede, angst, verdriet en blijdschap. Het verhaal laat zien hoe kwetsbaar mensen zijn, hoe flexibel en buigzaam kinderen, hoe sommige volwassenen eigenlijk geen kinderen moesten mogen krijgen en hoe fantastisch die kinderen kunnen zijn. Griffioen laat je niet alleen zien hoe schrijnend het leven kan zijn van kinderen die op deze manier opgroeien, ze laat ook zien dat die kinderen er keihard voor kunnen knokken om hun leven wél leuk te maken. Ze laat ouders zien die er een potje van maken, hard, kil en emotieloos zijn, maar daarmee niet per definitie liefdeloos. En daarmee is nuance is het codewoord in Honden, Vissen, Krokodillen. Het is niet alleen maar kommer en kwel in het verhaal en dat is juist wat het zo verschrikkelijk geloofwaardig en aangrijpend maakt.
Honden Vissen Krokodillen
Hadewijch Griffioen
Contact, oktober 2007

De koude blik van de begeerte
In het openingsverhaal van Veilig in de tijd laat Hadewijch Griffioen een vrouw terugdenken aan een koude winterochtend uit haar kleutertijd, toen ze in bed kroop bij haar vader. Hij vertelde over het verjagen van een spook en het overwinnen van angst. Hij streelde haar met zijn stem en met zijn harde vingertoppen schampte hij haar zachte huid, zodat het kippenvel tot achter haar oren optrok van genot.
Hadewijch Griffioen: Veilig in de tijd. Contact, 144 blz. ƒ32,90
`Hij was zachtzinnig en sterk. Groot en breedgeschouderd, met soepele, sterke borstspieren die hij op en neer kon laten deinen door zijn handpalmen tegen elkaar te drukken. Mijn hoofd rolde dan op zijn borst heen en weer en zijn armen drukten tegen mijn zijden. Ik spon als een tijgerjong.'
Een idylle is het, een gevoel van altijd zondag – en toch hangt er ook iets onbehaaglijks over de herinnering. De vader mag zachtzinnig zijn en sterk, zijn vingertoppen zijn ruw en hard, zijn nagels `krassen' zelfs over de schouderbladen van het dochtertje. En wat te denken als je leest dat hij het meisje haastig van zijn borst laat glijden als zijn vrouw de kamer binnenkomt, alsof hij iets verbodens doet? En wat te denken van meteen de eerste zin van het verhaal, die zegt dat deze winterochtend een van de weinige keren is geweest `dat ik de aanraking van een man ontroerd onderging'?
Seksuele spanning
Er woekert hier iets onhanteerbaar seksueels tussen de regels. De idylle van de twee is er welhaast een van verliefden, de geborgenheid die ze elkaar verschaffen zou nooit zijn ontstaan zonder een seksuele spanning. Onwillekeurig denk je al meteen aan incest, je voelt een taboe opspelen, maar het ja of nee van laakbare lichamelijke handelingen doet er eigenlijk niet eens zo toe. Waar het om gaat is dat die spanning hoe dan ook bestaat, of ze wordt uitgeleefd of niet, dat ze misschien zelfs wel in elk gezin bestaat, en dat ze heimelijk een grote invloed heeft op de verhoudingen.
Over de gevolgen van die heimelijke invloed gaan de volgende verhalen uit de bundel. Het gezin verschijnt daar als een ware broedplaats van verborgen erotiek. Die draagt er aan de ene kant toe bij dat de gezinsleden elkaar aantrekkelijk genoeg vinden om samen te leven, zelfs gezellig bij elkaar in bed te kruipen, en versterkt dus de geborgenheid. Maar aan de andere kant brengt ze de koude blik van de begeerte met zich mee en daarmee driften die zo hard zijn dat ze de gezinsleden juist uit elkaar drijven. Ze wekt eendracht en tweedracht tegelijk, paradoxaal genoeg, ze heeft een Januskop.
Een mooi voorbeeld, meteen een van de betere verhalen uit de bundel, is `Gewonnen'. Als de ouders op vakantie gaan, blijven hun puberende zoon en dochter achter in een sterk geladen atmosfeer. De dochter trekt aandacht van de zoon door hem te pesten, net iets feller dan ze wil. Hij pest haar terug door te doen of hij haar wil verkrachten, net iets overtuigender dan hij wil. Zij loopt dan woest het huis uit, waarna hij, alleen in de lege kamers, een acute angstaanval krijgt – uit gemis van wie hij net verjaagd heeft.
Het is een thematiek die ook in Griffioens debuutroman De plaatsen van de jeugd uit 1997 al als een rode draad door de scènes liep. Ook daar ging het om een gezin dat van de vroege ochtend tot de late avond wordt beheerst door jaloezie, rivaliteit, chantage en sadisme, zonder dat je nu kunt zeggen dat er geen geborgenheid bestaat. Ook daar was het gezin een instituut dat beschaving bijbrengt en tezelfdertijd, in één beweging door, de beest weer losmaakt.
Dat doet vermoeden dat we hier te maken hebben met een schrijver van de monomane soort. Een schrijver die genoeg heeft aan één thema, omdat daar voor haar begin en eind van alles ligt. Maar de verhalen uit de nieuwe bundel doen een poging om het jachtterrein toch een stuk uit te breiden. Ze zijn zo geordend dat hun helden en vooral heldinnen, want die zijn sterk in de meerderheid, in leeftijd oplopen. Ze krijgen minnaars, gaan het huis uit, zien hun ouders oud worden en geven al met al dus een idee van hoe het mensen verder vergaat, na de erotische kwetsuren van hun jeugd.
Dat biedt geen vrolijk beeld. Een van de vrouwen komt door een toevalligheid te weten dat een vriend van haar die haar probeerde te verleiden, eerst zijn dochter hoopte te verleiden. Een andere vrouw voelt zich verkrampen onder de beluste blik van haar geliefde, objectiverend en koel, die haar een plotse voorsmaak van de dood geeft. Nog een vrouw kijkt naar haar dochter en beseft ineens dat die er niet veel beter af zal komen dan zijzelf, omdat er nauwelijks bescherming is tegen het letsel van de kinderjaren. `Zachte woorden' wissen `harde woorden' niet uit.
In de laatste verhalen verbreedt het spectrum zich nog verder en verdwijnt de seksuele Januskop vrijwel geheel uit beeld. Een vrouw rijdt met haar kinderen naar haar ex, dwars door een in die dagen overstroomd rivierengebied, en denkt bij het natuurgeweld aan ander, menselijk geweld, dat levens `overstroomt'. Een andere vrouw maakt kennis met een Balkan-vluchteling die zo onaangeraakt lijkt door de gruwelen die hij heeft meegemaakt dat ze hem sympathiek maar tegelijk ook onbegrijpelijk vindt.
Tot slot is er dan nog het titelverhaal, dat het voorafgaande als een soort coda afsluit. Net als in het openingsverhaal spreekt hier een vrouw met liefde over haar vader, die haar koesterde en haar vertelde hoe je angst kunt overwinnen. Maar die vader is inmiddels oud en somber geworden en tenslotte overleden, en de dochter kijkt op hun idylle van weleer terug als op een illusie. `Ooit dachten we ons in de tijd genesteld, met het perspectief van nog vele jaren [...]. Veilig in de tijd waren we.'
Keurige verhalen
Zo breidt Griffioen haar thema uit van seksueel geladen letsel tot zo'n beetje alle letsel dat het leven aanricht. Nogal een weids gegeven, haast te algemeen om nog een thema te mogen heten, en dat is aan de afsluitende verhalen af te lezen. Ze verliezen hun geladenheid, ze mikken niet meer daar waar je taboes zitten en krijgen iets merkwaardig onbepaalds en onpersoonlijks. Keurige verhalen zijn het plotseling.
Daar komt bij dat Griffioen zich nog niet helemaal lijkt thuis te voelen in het genre van het kort verhaal. Ze schrijft zinnen zonder openlijk vertoon van ironie of virtuositeit. Gedecideerde, stevige zinnen die in haar debuutroman uitstekend dienst deden, omdat ze daar de ruimte kregen, maar die op de korte baan niet uit de voeten kunnen. Ze probeert daarom wat meer subtiele stijlfiguren uit, riskante metaforen, snelle tijdsprongen en perspectiefwisselingen, en soms werkt dat ook. Maar vaak blijft er iets wringen.
Daardoor krijgt de uitkomst van haar op zichzelf natuurlijk niet genoeg te prijzen drang om het terrein van haar werk al na één boek uit te breiden iets halfslachtigs. Zeker naar het einde toe leest Veilig in de tijd als een reeks stijlproeven. Ze zijn verdienstelijk en interessant en ambitieus, maar ze zijn nog niet van Griffioen.



Recensies